Terug naar de bewoonde wereld

“Zien we al land?” Eric is net wakker en strompelt de kuip in. We turen samen over het water. In de verte verschijnt langzaam een vage donkere contour. Tahiti.

Na twee nachten varen zijn we er bijna. Nog een paar uur en we liggen in Papeete. En eerlijk gezegd kijken we daar behoorlijk naar uit.

Niet alleen naar Tahiti zelf. Ook naar alles wat we daar na maanden in de Tuamotus ineens weer zullen kunnen krijgen en doen. Een echte supermarkt. Winkels met bootspullen. Een haven waar je weer eens lekker onbeperkt water kunt gebruiken. En voor mij misschien wel het belangrijkste: een dokter.

Maar eerst moeten we de boot nog aanleggen. Het is inmiddels zo’n anderhalf jaar geleden dat we voor het laatst in een haven lagen. Hoe zat het ook alweer met die stootwillen..?

Die eerste dag in de marina is er eentje van kleine luxe. Marelief gewoon met de tuinslang grondig ontdoen van al het zout. Ons verzamelde plastic afval eindelijk in een vuilniscontainer. De was.  Een kwartier lang onder een warme douche. De fietsen na twee jaar eindelijk weer van boord. Een net en schoon jurkje aan.

We zijn klaar voor de stad.

Papeete voelt na de Tuamotus als een soort mini-metropool. Verkeer, winkels, restaurants, vrachtschepen in de haven en een boulevard vol mensen en activiteit. Na weken waarin een winkeltje met een paar blikjes en wat verse groenten al als een goed gesorteerde supermarkt voelt, stappen we de Carrefour binnen. We worden hebberig van al die lekkernijen en kopen natuurlijk veel te veel.

En ergens diezelfde middag zit ik bij een dokter met mijn pijnlijke linkerschouder. Die doet al sinds juni steeds vervelender en begint verdacht veel op mijn eerdere frozen shoulder aan de rechterkant te lijken. Destijds hielp een cortisoneprik enorm. Dus ik heb inmiddels vrij duidelijk voor ogen wat ik wil.

Een prik dus.

Snel een afspraak krijgen, foto’s en echo laten maken, is gelukkig geen probleem. Maar de finesses van wat ik voel in het Frans uitleggen is een ander verhaal. Mijn Frans is best vooruitgegaan, maar ook weer niet zo goed. Het Engels van de Franse dokter helaas nog slechter. De dokter wil me opschepen met een week zware pijnstillers.  Ik denk: nee, daar ben ik niet helemaal voor gekomen.

We slagen erin een compromis te bereiken 😉, pillen én een prik. Nu maar hopen dat het gaat helpen.

Na alle drukte en nieuwe indrukken van de dag belanden we ’s avonds in een ontzettend leuk, rietgedekt restaurantje in het water. De zon zakt achter het eiland Moorea, zo’n twintig mijl verderop. Voor ons ligt de lagoon van Tahiti. In onze handen een espresso martini en een mojito.

Intense tevredenheid.

Zo begint onze terugkeer in de bewoonde wereld.

De marina ligt midden in de stad aan een drukke boulevard waar auto’s en ambulances met gillende sirenes voorbij razen. Maar we hebben daar niet echt last van en het gemak dat we zo van boord kunnen lopen en van alles en nog wat kunnen doen en regelen bevalt zo goed dat we ons verblijf hier tot drie keer toe met een paar dagen verlengen.

We slenteren over de markt en door het stadspark. Kopen eindelijk een nieuwe stofzuiger die op 220 volt werkt. Eric doet zich tegoed aan bussen vol WD40 – onmisbaar volgens hem aan boord, drinken cocktails bij ons favoriete tentje in het water en pakken de bus om het eiland verder te verkennen. De prik wordt gezet, tickets geboekt om straks van Raiatea terug naar Tahiti te vliegen voor onze vlucht naar VS/Nederland en in de tussentijd wordt Marelief fanatiek van binnen en buiten gepoetst.

Na ruim twee weken is er een mooi moment om over te steken naar Moorea, het kleine zusje van Tahiti. Groen, ruig, met bergen die recht uit het water omhoog lijken te komen, maar dan zonder de stad. Een heerlijke zeiltocht van een mijltje of twintig.

We liggen een paar dagen in de lagune die het eiland omringt en waar het water ondiep en zo helder en lichtblauw is dat we roggen onder de boot zien zwemmen en de romp van Marelief zelf lichtblauw lijkt te worden.  Prachtig vinden we het, maar misschien nog wel indrukwekkender vinden we de diepe inhammen. Eerst Cooks Bay en daarna Opunohu Bay.

Het zijn van die plekken waar het dagelijkse leven aan boord bijna vanzelf vertraagt.

We staan meestal vroeg op. Stoeltjes naar buiten, eerste kop koffie erbij. We liggen zo dicht bij de kant dat je echt het gevoel hebt dat je midden in de natuur wakker wordt. Bergen om ons heen en vogels die vanaf de kant de baai in kwetteren. En natuurlijk ook even de telefoon in de hand. Want met twaalf uur tijdverschil met Nederland is er ’s morgens vaak weer heel wat gebeurd. Appjes, mailtjes, gewoon nieuws.  Maar daarna gaat die telefoon ook weer weg. Eerst ontbijten en gewoon genieten van waar we zitten. En dan worden de beentjes gestrekt. Na al die maanden in de vlakke Tuamotus moeten de spieren even wennen. Flinke klimpartijen, zweten, maar wat een uitzichten!

Door de diepe inham liggen we bijna in het midden van Moorea waar we vanaf de boot zo een grote groene vallei met overal ananasvelden in kunnen lopen. Overal staan planten in verschillende stadia: net aangeplant, al flink gegroeid of bijna klaar. En soms ligt er zomaar een rijpe ananas langs het pad. Die laten we natuurlijk niet liggen. Zoet, sappig, precies zoals je wilt dat ie smaakt!

En als we verhit van de wandeling weer aan boord komen, duiken we het water in om af te koelen. Een borrel, een spelletje, genieten van het late middagzonnetje.

’s Avonds een serietje op Netflix, of via de VPN gewoon B&B vol liefde. Sinds we Starlink hebben, is het allemaal mogelijk. In Nederland is het inmiddels ochtend. Leuk, Wouter belt. Niven bij hem op schoot en lacht zodra hij ons hoort kwebbelen.  Het is fantastisch dat thuis en de rest van de wereld zo gewoon binnen handbereik blijft.

En juist hier in Opunohu Bay begrijpen we niet zo goed waarom alle andere zeilboten een stukje verderop liggen. Daar in het lichtblauwe water, liggen er een stuk of vijfentwintig bij elkaar. Het is er ook prachtig hoor. Maar wij liggen wat dieper in de baai, tussen de bergen, en zijn de enige boot.

En dat vinden we eigenlijk wel prima. Toch blijft er ergens dat kudde-instinct. Als iedereen daar ligt, waarom liggen wij hier dan? Maar na bijna een week in deze baai weten we het eigenlijk wel. Omdat het hier heerlijk is. En zolang niemand ons komt vertellen wat we missen, blijven we lekker liggen.

Mare Liefs,

Karin

 

Nawoord

Door het oog van de naald

Mijn concept blog heb ik eigenlijk al klaar. Morgen de puntjes op de i. Maar ik heb de laatste zin nog niet getypt of er verschijnen ineens toch drie boten in ‘onze’ baai. Om ons te vertellen dat we stronteigenwijs zijn? Om te vertellen wat we missen 😉?

Waarschijnlijk omdat er voor die nacht wat meer wind wordt verwacht. Prima. Gezellig. Eén van de boten gaat alleen wel een beetje erg dicht op ons liggen. We bekijken het samen even maar het lijkt ok te zijn dus we gaan naar bed en vallen in een diepe slaap.

Tot we wakker worden van geklop op de romp. Hárd geklop!

Eric springt uit bed. Naakt.

Ik spring erachteraan, grijp snel een omslagdoek, en denk, shit, die boot die zo dicht op ons is komen liggen,  we gaan elkaar raken. Buiten is het pikkedonker. Eric heeft inmiddels een onderbroek aan en ik hoor een man in een klein bootje druk met hem praten. Er is paniek. Er moet iets gebeuren en snel!

Ik doe de motor aan. Eric loopt naar voren om het anker op te halen. Maar waar zijn we in hemelsnaam?? Ik ben compleet gedesoriënteerd, waar zijn mijn herkenningspunten? De lichtjes van het restaurantje aan de wal zie ik niet. Snel de Ipad.

En dan zie ik het.

We liggen bijna aan de uitgang van de baai. We zijn gewoon bijna een mijl afgedreven. Zonder dat we iets hebben gemerkt. Of geraakt….

De man in het kleine bootje blijkt een lokale visser te zijn die zag dat wij achter ons anker steeds verder naar buiten dreven. Hij is naar ons toegekomen om ons te waarschuwen. Om kwart voor één ’s nachts.

We halen het anker op, zetten onze navigatieverlichting aan en varen terug naar de plek aan het begin van de baai waar het water minder diep is en waar we opnieuw ons anker uit kunnen gooien.

Pas als we weer liggen, begint het bij ons echt door te dringen.

Hoeveel geluk kun je hebben? En hoe stom kun je zijn..?

Als we zo waren blijven afdrijven, hadden we uiteindelijk op het rif kunnen belanden met alle gevolgen van dien.

Ruim 6 jaar zijn we onderweg. Zijn we te makkelijk geworden? Waarom toch niet wat extra ketting gestoken terwijl we wisten dat het dit keer aan de krappe kant was?  Waarom het ankeralarm niet ingesteld? Het ding geeft vaak een vals alarm, als de gps even wegvalt, we de cirkel te klein hebben ingesteld etc. En dan ben je weer wakker voor Jan L. Dus we doen het niet graag. Maar deze avond dacht ik er wel even aan omdat het wat harder zou gaan waaien. Niet gedaan. Tja.

We gaan ons leven beteren. Iets nederiger. Iets minder makkelijk. Iets meer ketting. En voortaan misschien toch maar dat ankeralarm aan. Wat rest is dankbaarheid. Voor die visser die ons gered heeft van misschien wel het verlies van onze Marelief.


Reacties

Populaire posts van deze blog

Kaoha Apai

In sneltreinvaart richting 2026

Onze parel in de Zuidzee?

Papa-oe en mama-oe gaan weer zeilen

Met de wilde frisheid van limoenen

Ankeren in Anaho

Even terug van weggeweest

Tussen oceanen; tussen afscheid en droom

Een andere wereld

Snowbirds